Onafhankelijk magazine

Geld & Gevoel

Voor mannen van 23 tot 35

Het impostersyndroom op je 27e

Abstracte cover in de huisstijl van Geld & Gevoel

Je komt uit je functioneringsgesprek en het was goed. Je leidinggevende noemde twee projecten die je hebt gedragen, zei dat het team op je bouwt, en je schaal gaat per januari een trede omhoog. Je loopt terug naar je bureau, gaat zitten, en binnen een paar minuten denk je: ze hebben het niet door. Ze weten niet hoeveel ik moest opzoeken. Ze weten niet dat ik die ene beslissing eigenlijk gokte.

Dat is het. Niet dat je twijfelt of je goed genoeg bent, want twijfelen is normaal. Het is de overtuiging dat je hebt gekregen wat je hebt door een fout in het systeem, en dat die fout een keer wordt opgemerkt.

Waarom uitgerekend de mensen die het kunnen

Er zit een vervelende logica in. Om te merken dat je iets nog niet beheerst, moet je genoeg van het vak weten om de ruimte tussen jouw niveau en goed te zien. Wie net begint, kent die ruimte niet en voelt zich prima. Wie er drie of vier jaar in zit, ziet ineens hoe groot het onbekende deel is, en trekt daar de verkeerde conclusie uit: niet dat hij is gegroeid, maar dat hij tekortschiet.

Daar komt bij dat je op je zevenentwintigste vaak in de eerste rol zit waarin niemand meer boven je meekijkt. Als stagiair en junior werd alles nagekeken. Nu lever je iets aan en gaat het gewoon de deur uit. Dat het niemand opvalt dat je het spannend vond, voelt niet als vertrouwen maar als een gebrek aan toezicht.

En er is een derde ding: je vergelijkt je binnenkant met de buitenkant van je collega s. Jij weet van jezelf dat je vanochtend drie keer iets hebt opgezocht wat je zou moeten weten. Van de man tegenover je weet je alleen dat hij overtuigend klinkt in overleggen. Wat hij opzoekt zie je niet.

Om te merken dat je iets nog niet beheerst, moet je genoeg van het vak weten om de ruimte tussen jouw niveau en goed te zien.

Wat het op kantoor met je doet

Het gevoel zelf is te dragen. Het gedrag dat eruit voortkomt is duurder, want dat kost je geld en uren.

  • Je werkt te lang door. Niet omdat het werk het vraagt, maar omdat extra uren voelen als de prijs die je betaalt voor het feit dat je er zit. Een presentatie die in drie uur af kan, kost je er zeven, en de laatste vier hebben nul invloed op de uitkomst.
  • Je vraagt geen hulp. Vragen zou het bewijs zijn dat je het niet kunt. Dus zoek je twee dagen uit wat een collega je in twintig minuten had kunnen uitleggen, en die twee dagen zijn ook precies de dagen waarop je jezelf bevestigt dat je traag bent.
  • Je zegt geen ja op wat groter is. Er komt een rol vrij, of een klant, of een project waar je eigenlijk zin in hebt, en je hoort jezelf zeggen dat je het te druk hebt. Vervolgens zie je iemand anders het doen en dan bevestigt dat weer dat je achterloopt.
  • Je onderhandelt niet. Je vraagt niet om die extra schaal of om marktconforme aanpassing, want stel dat ze bij nader inzien vinden dat je al te veel krijgt. Over een paar jaar zit daar zomaar een paar honderd euro bruto per maand verschil in, en dat werkt door in alles wat daarna komt.

Imposter-gevoel of gewoon te hoog gegrepen

Er is een verschil, en dat verschil is te toetsen. Soms zit je namelijk werkelijk boven je niveau, en dan is het geen gevoel maar informatie.

Het is waarschijnlijk imposter-gevoel als je resultaten goed zijn, je feedback goed is, je op tijd levert, en je toch denkt dat het toeval is. Het is waarschijnlijk iets anders als er concrete, herhaalde signalen zijn: deadlines die je structureel mist, werk dat teruggestuurd wordt, een leidinggevende die het in twee gesprekken op rij benoemt, collega s die dingen om je heen regelen.

Het onderscheid is dus niet hoe je je voelt, maar wat er meetbaar gebeurt. En bij de tweede variant is de oplossing niet zelfvertrouwen maar een leerplan: wat mis ik precies, van wie kan ik dat krijgen, in hoeveel tijd. Dat is een prima gesprek om te voeren en het maakt je nergens minder van. Boven je niveau zitten is een tijdelijke toestand, geen eigenschap.

Verzamel bewijs, want je geheugen doet dat niet

Je hoofd bewaart de fout in het rapport van maart en gooit de vier maanden waarin alles liep meteen weg. Dat is geen karakterprobleem, zo werkt herinneren nu eenmaal. De remedie is administratief.

Je bewijsmap

Maak een map in je mail met de naam Bewijs, en sleep daar alles in wat objectief is: een bedankje van een klant, een mail waarin iemand zegt dat je oplossing werkte, de bevestiging van je promotie, de notulen waarin jouw voorstel is overgenomen.

Hou daarnaast een document bij met een regel per maand: wat leverde ik op, wat ging er beter dan vorig kwartaal, wat kon ik in juni dat ik in januari niet kon.

Lees dat terug voor je functioneringsgesprek, voor een salarisgesprek, en op de avonden waarop je zeker weet dat ze je gaan doorzien. Het argument dat het toeval was, wordt aanzienlijk moeilijker vol te houden tegen twintig regels concrete uitkomsten.

Bijkomend voordeel: als je over twee jaar om opslag vraagt of ergens anders solliciteert, heb je je eigen dossier al klaarliggen.


Zeg hardop dat je het niet weet

Dit is het oncomfortabelste advies en het werkt het snelst. In het eerstvolgende overleg waarin een term valt die je niet kent, zeg je: die term ken ik niet, wat bedoel je daar precies mee.

Wat er dan gebeurt is voorspelbaar en toch elke keer weer een verrassing. Er knikken twee andere mensen die het ook niet wisten. Degene die het uitlegt vindt het prettig om het uit te leggen. En jij hebt een halve dag speurwerk bespaard. De ramp die je in je hoofd had voorbereid, komt niet.

Hetzelfde geldt voor hulp vragen. Vraag het klein en concreet: ik zit hier vast, heb je tien minuten. Mensen die goed zijn in hun werk vragen dat de hele dag door. Wat jij als bewijs van tekortschieten leest, lezen zij als iemand die efficient is.

Een zin die het werk doet

Als je het echt niet over je lippen krijgt, gebruik dan deze: ik wil zeker weten dat ik het goed begrijp voordat ik verder ga. Dat is dezelfde vraag, alleen ingepakt in zorgvuldigheid. Na een paar keer heb je de verpakking niet meer nodig.

Het slijt door te doen, niet door erover na te denken

Je kunt jezelf niet uit dit gevoel redeneren. Iedere keer dat je probeert jezelf ervan te overtuigen dat je het waard bent, geef je het onderwerp meer aandacht en niet minder. Wat wel werkt is stapelen: de klus doen, zien dat het goed komt, de volgende doen.

Dat betekent in de praktijk dat je ja zegt op dingen waarvan je denkt dat je ze net niet aankunt. Niet roekeloos, wel structureel iets boven je comfort. Je zult ze niet allemaal briljant doen. Dat is ook niet nodig: je hebt maar een handvol keren nodig waarin je iets deed waarvan je zeker wist dat het mis zou gaan en waar het niet mis ging.

Vertel het bovendien eens aan iemand van vijf jaar ouder in hetzelfde vak. Grote kans dat hij je vertelt dat hij dit ook had, en dat het rond zijn tweeendertigste stil werd. Niet omdat hij zichzelf heeft overtuigd, maar omdat de stapel afgeronde dingen op een gegeven moment te hoog werd om nog toeval te kunnen zijn.

Soms ligt het niet aan jou

Er zijn werkplekken die dit gevoel actief produceren. Waar niemand ooit zegt dat iets goed is, waar fouten publiek worden besproken, waar de doelen elk kwartaal verschuiven zodat je nooit iets afmaakt. Als je bij een vorige werkgever nooit last had van dit gevoel en hier vanaf maand twee wel, is dat een aanwijzing over de plek en niet over jou.

Toets het simpel: vraag drie mensen om je heen hoe zij weten of ze het goed doen. Als niemand daar een antwoord op heeft, is dat een organisatie zonder terugkoppeling. Dat is op te lossen door om terugkoppeling te vragen, of door ergens anders te gaan werken. Het is in elk geval niet op te lossen door harder je best te doen.

Je gaat er waarschijnlijk niet volgende maand vanaf zijn. Maar je kunt vanaf morgen een map aanmaken, een keer om hulp vragen, en op tijd naar huis gaan bij een klus die af is. Het gevoel mag blijven zitten. Het hoeft alleen niet meer te bepalen hoe je werkt.