Je vader vraagt aan de telefoon hoe het gaat. Je zegt dat het druk is maar goed. Je vriendin vraagt het diezelfde avond nog een keer, iets langzamer, en je zegt dat er niks is. En dat klopt ook, in zekere zin: als je naar binnen kijkt, zie je vooral ruis. Iets wat drukt. Geen woord dat erbij hoort.
Dat is geen karakterfout en het is ook niet uniek. Het is gewoon wat er gebeurt als je twintig jaar lang hebt geoefend op een antwoord van een lettergreep.
Hoe prima het enige geldige antwoord werd
Het gaat zelden via een expliciete boodschap. Niemand heeft tegen je gezegd dat je niets mocht voelen. Wat er wel gebeurde: je viel op je zevende van je fiets en iemand zei dat het wel meeviel, waarschijnlijk om je te helpen. Op je twaalfde lag je op de bank van een kleedkamer waar iedereen elkaar afzeikte, en wie daar terugtrok werd het doelwit. Op je zestiende ontdekte je dat een grap sneller werkt dan een uitleg.
Dat zijn duizenden kleine bevestigingen dat afsluiten praktisch is. En het was ook praktisch. Je hebt er dingen mee gered: examens, een verhuizing, een baan waarin je niet mocht instorten. Het probleem is niet dat je het geleerd hebt. Het probleem is dat het het enige is wat je geleerd hebt, en dat het niet uit te zetten valt op het moment dat je het wel nodig hebt.
Niets voelen is iets anders dan het niet kunnen benoemen
Dit onderscheid is het hele stuk waard. De meeste mannen die zeggen dat ze niets voelen, voelen wel degelijk iets. Ze hebben er alleen geen taal voor. Als de enige woorden die je hebt goed, druk, moe en klaar mee zijn, dan valt alles wat daarbuiten ligt automatisch in de categorie niks aan de hand.
Vergelijk het met kleur. Iemand die maar drie kleurwoorden kent ziet niet minder kleuren, hij kan er alleen niet over praten en dus ook niet over nadenken. Zo werkt het ook met spanning, teleurstelling, schaamte en verdriet. Ze zijn er wel. Ze komen alleen naar buiten in de enige vorm die je hebt geoefend: kort aangebonden zijn, je terugtrekken, of niets zeggen en drie dagen kortaf blijven.
Het is niet dat er niets is. Er is nooit een woord voor aangeleerd, en wat geen woord heeft komt eruit als gedrag.
Wat er gebeurt als spanning geen taal krijgt
Spanning verdwijnt niet als je hem negeert. Hij verplaatst zich. Meestal naar je lichaam en naar je gedrag, en meestal zo geleidelijk dat je het pas ziet als iemand anders het benoemt. Je slaapt slechter, of je valt prima in slaap en ligt om vier uur wakker met een lijst. Je kaak of je nek doet zeurderig pijn. Je maag is onrustig. Je lont is korter geworden en dat merk je vooral thuis, tegen de mensen die het minst met de oorzaak te maken hebben.
Daarnaast ontstaan er dempers. Twee, drie biertjes op een doordeweekse avond, niet uit gezelligheid maar omdat het rustiger wordt in je hoofd. Een uur scrollen dat aanvoelt als vijf minuten. Trainen tot je moe genoeg bent om niet meer na te denken. Die dingen zijn op zichzelf niet slecht, en sporten helpt echt. Maar het verschil zit in de vraag of iets iets toevoegt of iets wegdrukt, en dat weet je meestal wel als je jezelf de vraag eerlijk stelt.
Waar je het aan merkt
Je wordt geirriteerd door dingen die het niet waard zijn. Je slaapt onrustig of wordt te vroeg wakker. Je hebt vaker een borrel nodig om te landen. Je vermijdt gesprekken die je een week geleden nog gewoon voerde. En op de vraag wat er is, zeg je oprecht dat je het niet weet. Een of twee daarvan is een drukke periode. Vier of vijf, langer dan een maand, is een patroon.
De rekening in je relatie
Hier komt het meestal het eerst binnen. Je partner vraagt wat er is, jij zegt niets, en dat is voor jou een eerlijk antwoord en voor haar een deur die dichtgaat. Doe dat honderd keer en het gaat niet meer over die ene avond. Dan gaat het over de conclusie die iemand trekt: dat ze er niet bij komt, en dat ze het alleen moet doen.
Wat het extra oneerlijk maakt: jij bent op dat moment bezig met iets wat je als zorg ziet. Je wil het niet over je werk hebben omdat je haar er niet mee wil belasten. Je zegt niet dat je bang bent dat de hypotheek te krap wordt, want daar kan zij toch niets aan doen. Alleen komt de afstand die je zo creeert wel bij haar terecht, alleen dan zonder uitleg. Zwijgen om iemand te sparen is nog steeds zwijgen.
De rekening op je werk
Op kantoor ziet het er anders uit en vaak zelfs goed. Je bent degene die geen scenes maakt. Je neemt het werk over als iemand uitvalt, je zegt niet dat de deadline onrealistisch is, en je vraagt niet om de opslag waar je recht op hebt omdat je het gesprek liever niet voert. Dat wordt jarenlang beloond, tot het omslaat.
De omslag heeft meestal een van twee vormen. Of het knapt: je ontploft over iets kleins in een overleg en niemand snapt waar het vandaan komt, jij het minst. Of je vertrekt plotseling, zonder dat er ooit een gesprek is geweest waarin je hebt gezegd wat er niet werkte. Voor je leidinggevende komt dat uit de lucht vallen. Voor jou is het de uitkomst van twee jaar niets zeggen.
Drie stappen die ongemakkelijk zijn en toch werken
Dit is geen oefening in kwetsbaarheid en er komt geen kaarsje bij kijken. Het zijn drie kleine dingen die je woordenschat vergroten, en woordenschat is het enige echte gereedschap dat hier bestaat.
- Vervang prima een keer per dag door iets preciezers. Niet tegen iedereen, gewoon in je hoofd. Ik ben moe. Ik baal van dat overleg. Ik ben er zenuwachtig over. Drie woorden zijn genoeg. Je hoeft niets te analyseren, alleen te benoemen, en benoemen maakt het meteen kleiner en hanteerbaarder.
- Zeg binnen 24 uur een ding hardop dat je normaal inslikt. Tegen een persoon, niet tegen een groep. Een zin. Dat je baalde van hoe iets ging, dat je ergens tegenop ziet, dat het thuis wat stroef loopt. Kies iemand die je vertrouwt en verwacht geen oplossing terug. Het effect zit in het uitspreken, niet in het antwoord.
- Schrijf op de rotdagen drie regels op. Wat er gebeurde, wat je lijf deed, en wat je had willen zeggen maar niet zei. Dat is geen dagboek, dat is een logboek. Na drie weken zie je patronen die je in het moment nooit ziet, en meestal blijkt het over minder verschillende dingen te gaan dan het voelde.
Verwacht dat het onhandig gaat. De eerste keer dat je iets benoemt klinkt het houterig en waarschijnlijk zeg je het te snel en te kort. Dat geeft niet. Je bent iets aan het doen waar je twintig jaar geen minuut in hebt geoefend, en houterig is de normale eerste fase van alles wat je nog niet kunt.
Wanneer je er beter niet alleen mee blijft rondlopen
Er is een grens tussen een zware periode en iets wat aandacht nodig heeft van iemand met verstand van zaken. Die grens is niet hoe erg het voelt, maar hoe lang het duurt en hoeveel het wegneemt. Als je langer dan een paar weken slecht slaapt, als je nergens meer plezier in hebt, als je jezelf terugtrekt van mensen die je normaal opzoekt, of als je merkt dat je meer drinkt om de dag door te komen, dan is dat geen kwestie van doorbijten.
De praktische route is saaier dan mensen denken. Je maakt een afspraak bij de huisarts en zegt in gewone woorden wat er is. In veel praktijken zit een praktijkondersteuner GGZ waar je vaak binnen een paar weken terecht kunt, zonder verwijzing en zonder eigen risico. Van daaruit kan een verwijzing naar een psycholoog volgen, waarbij je er rekening mee houdt dat basis-GGZ wel onder je eigen risico valt. Denk je aan zelfdoding, wacht dan niet en bel 113 of 0800-0113, dag en nacht bereikbaar.
Het rare is dat de meesten die dit doen achteraf niet zeggen dat het zwaar was. Ze zeggen dat het vooral opgelucht was, en dat ze het eerder hadden moeten doen. Dat is geen belofte. Het is alleen een reden om die afspraak deze week te maken in plaats van na de zomer.



